Onderstroom krachtiger dan hiërarchie
Pap, wil je niet zo boos doen op de training?
Zoals veel groepsprocessen gaan, vergaat het ook bij team6 van de Onder 11 van FC Dos. In de eerste weken dat we samen trainen en wedstrijden spelen hebben we het gezellig met elkaar; trainen we enthousiast; luisteren de spelers goed naar trainers (Sebastiaan en mezelf). Onze wittebroodsweken zijn zo plezierig als de temperatuur in de heerlijke nazomer van 2020.
Tegelijkertijd met het vallen van de blaadjes wordt de sfeer op de training grimmiger. De spelers hebben ’t druk met hun sociale positionering; plagerijtjes worden pesterijtjes; nukkige Gijs en adhd Taeke ontpoppen zich als recalcitrante informele leiders; na de training klagen spelers over medespelers die al uit het zicht zijn. Ook bij Sebastiaan en mezelf groeit de irritatie over spelersgedrag op de trainingen. Onze behoefte om met team 6 geconcentreerd te voetballen krijgen we niet waargemaakt.
We proberen het tij te keren: we bereiden de trainingen nog beter voor; kiezen voor meer spelvormen; langere partijtjes; in het zonnetje zetten van jarigen; sneeuwpop challenge; we zetten hoofdtrainer Henk van Fc Dos in als gasttrainer; we spelen energie gevende muziek van de Snollebollekes tijdens de opwarmoefening.
Het haalt niets uit.
Steeds vaker hoor ik mezelf vermoeid kreten roepen zoals: “Kom op Koen, let nou eens op; Vooruit Gijs, jij mag nog één keer schieten op die lege goal en dan kom je wel hier; Taeke, het is fijner wanneer je niet op de grond gaat liggen wanneer ik wat uitleg; Niet op bovenop het goaltje zitten Mike, want dat is gevaarlijk; Mees, kan je dat ook op een aardige manier zeggen tegen Jeffrey; Gijs, ik wil dat je nú hier komt; Ties, wanneer ik wat uitleg, dan is het fijner dat jij niet praat”.
Het haalt niets uit.
Na een paar weken verandert mijn toon. Het is woensdagavond en ik leg de tweede oefening uit. Voor mijn gevoel wacht ik al minutenlang op de aandacht van alle spelers. Ik trek mijn Louis-van-Gaal-vat open. Met verhit hoofd bijt ik mijn team toe: “Als jullie nou niet naar mij luisteren en als jullie ook niet goed je best doen, dan is ons afsluitende partijtje heel erg kort vandaag. Jullie hebben dat zelf in eigen hand. Ons maakt het niets uit. Ja! Ons maakt dat dus niets uit.”
Dit laatste is overigens een leugen. Het maakt ons wel uit. Want bij het afsluitende partijtje spelen we zelf graag mee.
Mijn donderspeech mist doel. De concentratie van de spelers blijft laag. En gezegd is gezegd. Het slotpartijtje is extra kort vanavond. De jongens balen. Wij ook.
Louis van Gaal domineert nog enkele weken onze trainingen, in de hoop dat de focus en discipline groeit. Sebastiaan en ik worden er chagrijnig van om deze Louis-rol te spelen.
Het haalt niets uit.
Het dieptepunt van mijn LvG-aanpak is de spiegel van zoon Faas. Op weg naar een training vraagt hij uit het niets “Papa, wil je vandaag niet zo streng doen tegen de andere kinderen?”
Sebastiaan en ik leggen ons frustrerende vraagstuk voor aan Onder-11-teams-coördinator Harold. 'Het is hommeles in alle onder 11 teams. In jullie team nog het minst'. Hij stuurt een brief aan alle ouders, waarin hij ouders verzoekt om in de stand-by modus te staan tijdens trainingen. Hun kinderen worden, bij verstorend gedrag, naar huis gestuurd door de trainers. Ik ben benieuwd hoe de brief valt bij ‘onze ouders’.
Slechts één ouder spreekt ons aan op de brief. Ze toetst bij ons of de brief ook haar zoon betreft. 'Uh nee, maar het is fijner wanneer hij wat minder vaak op de grond ligt tijdens onze instructies'.
Met een Edding teken ik smileys op mijn handen voor iedere training. Ik heb gekozen voor een andere aanpak. De kleine Louis in mij is ontslagen. Ik stop met mopperen; tel wat vaker tot tien.. of tot twintig… of tot honderd als dat nodig; en ga zelfs een keer naast Taeke op de grond liggen wanneer ik wat uitleg.
Ik merk dat het werkt. Dat wil zeggen: de concentratie bij de spelers blijft onveranderd laag, maar ik heb mijn plezier weer terug. Sebastiaan ook. Het plezier slaat over op de groep.
Welkom in de derde fase van het groepsproces.
Voetbaltechnisch wordt het met deze spelers niet véél beter, maar we hebben het in de rest van het seizoen een stuk plezieriger met elkaar.
In mijn werk als organisatie-adviseur heb ik in de loop der jaren, met vallen en opstaan, ervaren dat ik in mijn aanpak bij aanvang het beste aan kan sluiten bij de beweging van de staande organisatie. Vanuit deze positie is het kansrijker en plezieriger een verandering in gang te zetten. Een top-down blauwdruk opleggen heeft zelden tot succes geleid. Tot plezier evenmin.
Drs. Servaas van Beekum spreekt in zijn artikel 'De relationeel adviseur' over de rodeorijder & de stier. De stier staat symbool voor de medewerkers en de cultuur van een organisatie. De rodeorijder is de manager van de organisatie. De rodeorijder kan enkel blijven zitten wanneer hij/zij meebeweegt met de stier. Oftewel een manager heeft beperkt invloed op het gedrag van de mensen in de organisatie. De positie van de manager wordt steviger naarmate hij/zij begrijpt hoe de medewerkers in elkaar zitten en vanuit welke behoefte of angst zij handelen, om daar vervolgens ook naar te handelen.
Kort na de winterstop vraag ik aan de vaders en moeders wat volgens hen de behoefte is van hun team 6 kind. De ouders zijn unaniem. Hun kind vindt het vooral erg gezellig op de training en heeft nog nooit zo’n leuk team gehad. Er wordt met geen woord gerept over kampioenschap of promotie naar een beter team.
Ik weet steeds beter op de stier te blijven zitten.

